De grens over

Afgelopen zaterdag was het tijd geworden om Nepal achter ons te laten en voor het eerst van ons leven de grens over te steken. De wekker werd vroeg gezet, het ontbijt (geroosterd brood met omelet) werd dankbaar naar binnen geschrokt en twee minuten voordat de bus arriveerde werden we per motor bij de bushalte afgezet. Een goed begin van iets dat een lange dag zou worden. Het passeren van de grens is namelijk geen kwestie van simpelweg je paspoort laten zien, een formuliertje invullen en wat stempeltjes verzamelen. Het is een serieuze zaak, die gerust twee uur van je dag kan opslokken.

Nadat we water, koekjes en chips hadden ingeslagen om de lange reisdag door te komen, werden we met de bus vlakbij de grens in Nepalgunj afgezet. De busmedewerker had het tot zijn taak gemaakt om ons goed en wel de grens over te brengen en probeerde een riksja chauffeur te vinden die begreep waar we heen moesten. Voor slechts tien roepies werden we ongeveer een kilometer verderop afgezet. Hoewel onze tassen van de riksja vervolgens in de fietstaxi werden geplaatst (zodat iedereen een zakcentje kan verdienen), besloten we te gaan lopen. We volgden de weg tot dat we tegen een militaire post aanliepen. Het bleek die van India te zijn. Nadat ze een blik in ons paspoort hadden geworpen, kwamen ze al snel tot de conclusie dat de stempel voor het verlaten van Nepal ontbrak. Te voet werden we teruggestuurd naar het punt waar de bus ons in eerste instantie had afgezet. Onzeker belden we aan bij een gebouw in ietwat vervallen staat. Na een paar minuten kwam een vriendelijke Nepalees in joggingpak aansloffen. Hij vroeg ons plaats te nemen in zijn kantoor en bestudeerde ons paspoort uitvoerig voordat hij ons het uitreisformulier aanreikte om in te vullen. Terwijl we driftig schreven en hij de juiste stempels bij elkaar zocht, vuurde hij de ene na de andere vraag op ons af. Van vragen over gegevens die in ons paspoort stonden, tot vragen over ons werk en onze relationele status. Na een half uurtje mochten we weer vertrekken. We namen vriendelijk afscheid van deze alleraardigste man (die op een dag waarschijnlijk niet zo gek veel te doen heeft) en vervolgden onze weg. Voordat we Nepal echter officieel konden verlaten, moesten we het logboek bij de Nepalese militaire post invullen. Ook hier werd ons geïnteresseerd gevraagd of we getrouwd waren. Aan het logboek te zien, verlieten zo’n één tot twee toeristen per dag het land via deze grens, dus beleefd maakten we een kort praatje, alvorens we opnieuw onze weg vervolgden. Na een paar honderd meter waren we terug bij de Indiase post die ons in eerste instantie terug had gestuurd. Vriendelijk werd ons gevraagd onze gehele rugzak uit te pakken. Geïnteresseerd werden al onze spullen bekeken. Opnieuw werd de ene na de andere vraag op ons afgevuurd: “Mogen wij misschien euro’s zien?”, “Hoeveel kostte je camera?”, al wijzend naar onze e-readers, “Wat zijn dat?” en de klassieker: “Zijn jullie getrouwd?” Al snel kregen we hun goedkeuring en mochten we naar de laatste, en moeilijkste, post: het immigratiekantoor van India. Na even te hebben gewacht werden we door een strenge meneer in zijn kantoor uitgenodigd. Terwijl hij onze paspoorten inspecteerde, begonnen wij ijverig met het invullen van het inreisformulier. Toen we klaar waren, schreef hij alle gegevens die we daarop hadden ingevuld, over in zijn logboek. Meerdere malen gaf hij ons het formulier terug om een fout te corrigeren. Het visum was niet afgegeven in Amsterdam, maar in een stad die met een ‘t’ begon. Koortsachtig begon ik te denken, om vervolgens tot de conclusie te komen dat dat dan wel ‘The Hague’ moest zijn. Het antwoord werd goedgekeurd, onze paspoorten gestempeld en we werden vriendelijk, doch dringend, verzocht het kantoor weer te verlaten. We waren officieel in India en regelden een taxi naar onze eerste bestemming: Lucknow.

In Lucknow aangekomen, wist de taxi chauffeur niet precies waar we moesten zijn. In het Hindi begon hij druk tegen ons te praten. Voor zevenhonderd roepies meer (zo’n negen euro), zou hij ons ergens af zetten. Wij weigerden deze te betalen en hij zette ons in plaats daarvan in de buurt af. Bijna direct erna werden we belaagd door een groep riksja chauffeurs die ons naar het hotel zouden brengen. Druk overlegden ze met elkaar waar dat precies was en wie ons dan zou brengen. Wat beduusd stonden we erbij, toen twee jongens uit New Delhi ons te hulp schoten. Voor een kwart van de prijs regelden zij ons een capabele riksja chauffeur en gaven ons, naast een heleboel tips, ook hun telefoonnummer in het geval we gedurende onze reis in India hulp nodig hadden. Blij met deze onverwachte hulp arriveerden we bij ons hotel. Toen bleek dat dit overboekt was, reed onze chauffeur langs drie andere hotels tot dat hij er één gevonden had dat nog plek had. Na al deze vriendelijkheid konden we met een gerust hart gaan slapen en ons voorbereiden op alles wat India ons te brengen heeft.

Dat we daar al snel achter zouden komen, bleek gisteren, nadat we één nacht in Agra hadden geslapen en de Taj Mahal bezochten. Om zes uur ’s ochtends vertrokken we richting de oostelijke ingang om als één van de eerste dit indrukwekkende complex te betreden en fotograferen. Samen met alle andere toeristen wurmden we ons in de moeilijkste houdingen om het perfecte plaatje te schieten. Daarbij lieten we ons veelvuldig door elkaar inspireren. “Mag ik je foto’s even bekijken?”, vroeg een meneer naast ons. “Dat zag er namelijk creatief uit wat jullie aan het doen waren.” “Natuurlijk!” Toen we klaar waren liepen we weg en zagen wij hen onze posities innemen. Na ongeveer twee uur waren we helemaal klaar en besloten een stukje door de stad te wandelen. Al snel werd duidelijk dat dit in geen geval in alle rust gedaan kan worden. En dan heb ik het niet over het verkeer dat luidkeels naar je toetert, voordat je van je sokken wordt gereden, maar dan heb ik het over alle personen die iets aan je proberen te slijten. De volgende twee uur liepen we door de stad, aan één stuk door beleefd glimlachend, terwijl de zoveelste “Nee, dankje!” over onze lippen rolden. “Nee dankje, we willen geen ansichtkaart, armband, trui of aardewerk kopen. We hebben geen tuk tuk nodig, willen geen geld wisselen, willen niet ontbijten, lunchen of dineren, gebruik maken van je internet, je oma niet uit eten nemen of een ritje op je eenhoorn maken.” “We willen in alle rust terug naar ons hostel wandelen”, maar jammer genoeg heeft niemand ons dat aangeboden. Ik denk dat we die zes weken Nieuw-Zeeland na vier weken India hard nodig gaan hebben.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.